Het leven van de profeet Abraham in het Riffijns (Tarifit)

Luister naar een selectie van verzen uit het boek Genesis hoofdstuk 11-25 over het leven van de profeet Abraham, vertaald in het Tamazight dat gesproken wordt in het Rifgebergte in Marokko (Tarifit).

Dit is de passage over toen de profeet Abraham probeerde om God te overtuigen om de goddeloze stedenSodom en Gomorra niet te vernietigen. Het staat in Genesis 18: 20-33Daarom zei de HEER: ‘Er zijn ernstige beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra, hun zonden zijn ongehoord groot. Ik zal ernaartoe gaan om te zien of de klachten die ik over hen heb gehoord gegrond zijn en zij verwoesting over zich hebben afgeroepen. Dat wil ik weten.’

Toen gingen de twee mannen weg, naar Sodom, terwijl Abraham bij de HEER bleef staan. Abraham ging dichter naar hem toe en vroeg: ‘Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen? Misschien dat er in die stad vijftig onschuldigen zijn. Zou u die dan ook uit het leven wegrukken en niet de hele stad vergeving schenken omwille van die vijftig onschuldige inwoners? Zoiets kunt u toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! Dan zouden schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren. Dat kunt u toch niet doen! Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’

De HEER antwoordde: ‘Als ik in Sodom vijftig onschuldigen aantref, zal ik omwille van hen de hele stad vergeving schenken.’ Hierop zei Abraham: ‘Nu ik eenmaal zo vrij ben geweest de Heer aan te spreken, hoewel ik niets dan stof ben: stel dat er aan die vijftig onschuldigen vijf ontbreken, zou u dan toch vanwege die vijf de hele stad verwoesten?’
‘Nee,’ antwoordde hij, ‘ik zal haar niet verwoesten als ik er vijfenveertig aantref.’

Opnieuw sprak Abraham hem aan: ‘Stel dat het er maar veertig zijn.’
‘Dan zal ik het niet doen omwille van die veertig.’

Toen zei hij: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het waag door te gaan: stel dat het er maar dertig zijn.’
‘Ik zal het niet doen als ik er dertig aantref.’

Hierop zei hij: ‘Ik ben zo vrij de Heer opnieuw aan te spreken: stel dat het er maar twintig zijn.’
‘Dan zal ik de stad niet verwoesten omwille van die twintig.’

Abraham zei: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het nog één keer waag iets te zeggen: stel dat het er maar tien zijn.’
‘Dan zal ik haar niet verwoesten omwille van die tien.’

Zodra de HEER zijn gesprek met Abraham had beëindigd, ging hij weg. En Abraham keerde terug naar de plaats waar hij woonde. (NBV 2004)